Het jaar 2007 belooft een feestelijk orgeljaar te worden. Dat heeft allereerst te maken met het koperen jubileum van de Stichting
Organum Frisicum. Dit voorjaar bestaat deze stichting alweer twaalf en een half jaar, wat gevierd wordt natuurlijk, al zullen de
festiviteiten na de uitbundige viering van het tienjarig bestaan een sober karakter hebben. Het jubileum zal dit jaar op een drietal
manieren tot uitdrukking worden gebracht: in de eerste plaats heeft de Friese Orgelkrant 2007 een feestelijk uiterlijk met veel kleur.
Vervolgens zal op zaterdag 8 september de nationale orgeldag officieel in de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden worden geopend door
de Commissaris van de Koningin in de provincie Fryslân, de heer Nijpels. Om 16.00 uur vindt de traditionele afsluiting van de nationale
orgeldag plaats met een concert door Theo Jellema in de Grote of Jacobijnerkerk. In deze krant volgt meer over deze orgelactiviteiten
in Leeuwarden. In de derde plaats zal de Stichting Organum Frisicum in verband met haar jubileum een bijzondere najaarsexcursie organiseren.
Onder leiding van Theo Jellema en Jan Jongepier zullen vier orgels worden bezocht in West-Friesland. Het gaat om orgels van Friese orgelbouwers,
die ook buiten de provincie Fryslân werkzaam waren.
De voorjaarsexcursie
Op zaterdag 14 april vindt in Midlum en Harlingen de voorjaarsexcursie van de Stichting Organum Frisicum plaats. Om 10.30 uur neemt de excursie
in de hervormde (protestantse) kerk van Midlum, een dorp onder de rook van de Harlinger industrieën en nog geen 700 inwoners, een aanvang.
Voorafgaand aan de start van de excursie is in die kerk de ontvangst met een kopje koffie.
Vermoedelijk wordt voor het eerst in 855 melding van Midlum gemaakt. Begin 13e eeuw werd de huidige kerk op de enige terp van het dorp gebouwd.
Daarvóór heeft er waarschijnlijk een houten kerkje gestaan. In de Middeleeuwen was de kerk een dochterkerk van de Augustijner abdij Ludingakerk,
die tussen Harlingen en Achlum lag. Van de oorspronkelijke, aan Sint Nicolaas gewijde, kerk is weinig bewaard gebleven. Door restauraties in 1866
en 1907 is het oorspronkelijk romaanse karakter verloren gegaan. Aan het begin van de twintigste eeuw zijn toren en kerk ommetseld met uitzondering
van de noordgevel die nog gele kloostermoppen laat zien. De zuidelijke muur is bepleisterd. Er zijn diverse sporen van vroegere vensters en openingen
waarneembaar. De aangebouwde consistorie werd in 1912 gebouwd op de plaats waar tot 1837 de school stond. In de toren, die ook veel verbouwingen heeft
ondergaan, hangen twee klokken. De kleine draagt geen jaartal en stamt waarschijnlijk uit de tweede helft van de 15e eeuw. Het opschrift luidt:
'Nicolaus ben ic ghehieten, dat kerspel van Midlum hevet mi ghieten'. De grote klok is van 1476 en draagt als opschrift: 'Vox mea vox vite, voco
vos ad sacra enite, vivos voco, defunctus plango, fulgura frango, Boldevinus curatus, Focko Sibada, Tierik teventer advocati, Reieros me fecit anno
di MCCCCLXXVI' (Mijn stem, van de Levende, ik roep u toe: komt tot het heiligdom. Ik roep de levenden, beween de doden. Ik breek de bliksemschichten.
Nadat de ijverige Boudewijn, Fokko Sibada, Tierik (uit Deventer?) de zaak hadden behartigd, heeft Reinder of Reinerus mij gemaakt in het jaar 1476).
De tegenwoordige spitse toren dateert vermoedelijk uit 1810. In 1823 vond er alweer een torenreparatie plaats. Tegen de toren staat een waarschijnlijk
achttiende-eeuwse zerk met een prachtige afbeelding in hoog reliëf van een molen met schuren en zagerijen. In 1811 bouwden L. van Dam & Zonen het huidige
orgel. Het oude orgel van Sybrand Hendriks en Pieter Louis Galama uit 1779 werd vermoedelijk door L. van Dam & Zonen in de kerk van de hersteld evangelisch
lutherse gemeente te Harlingen geplaatst. Deze gemeente heeft in 1826 en in het begin van de twintigste eeuw andere orgels aangeschaft. Volgens A.H. Vlagsma
plaatst Sybrand Hendriks uit Tzum het Midlumer orgel in 1776 over naar Oosthem. Wie de bouwer van het toenmalige orgel in Midlum was, vermeld hij in 'De
Friese orgels tussen 1500 en 1750' niet. Hoe dan ook, het huidige orgel is een éénklaviers Van Dam-orgel uit 1811 met een onderkas en de klaviatuur aan de
voorzijde. Opvallende decoratie is de klok die de middentoren bekroont. Vervolgens wordt de excursie in Harlingen voortgezet.
Een korte geschiedenis van Harlingen
De oudste vermelding van Harlingen dateert van 1228. Dat Harlingen al rond 1234 stadsprivileges kreeg, is onwaarschijnlijk. Niettemin werd in 1984 het
750-jarig bestaan van de stad gevierd. De historie van Harlingen is nauw verbonden met de zee en handel. Begin 15e eeuw mocht de stad Harlingen van Albrecht
van Beieren twee keer per jaar een markt houden: één rond Pinksteren en één op Sint-Michielsdag (29 september). De 15e eeuw bracht Harlingen groei en bloei.
In 1500 werd een eerste haven gegraven en in 1543 vond een stadsuitbreiding in noordelijke richting plaats. De stad moet toen zo'n tweeduizend inwoners gehad
hebben. In 1580 werd het stadsgebied uitgebreid met de dorpskern Almenum, waarin de Sint-Michaëlskerk, de 'Dom van Almenum', lag. In 1597 breidde de stad nogmaals
uit en werd zij bovendien een versterkte vesting. Door de beperkte oorlogshandelingen tijdens de 80-jarige oorlog kon Harlingen tot in de jaren zestig van de
17e eeuw volop delen in de welvaart van de Republiek. De Sontvaart bleef de belangrijkste bron van inkomen. De internationale handel leidde tot grote industriële
activiteit in en om Harlingen. Ook participeerden Harlinger ondernemers in de walvisvaart. Bovendien liep het handelsverkeer tussen Holland en Fryslân binnen de
Republiek via Harlingen. Harlingen, dat in lokale aangelegenheden een grote mate van bestuurlijke autonomie bezat (bijvoorbeeld op het terrein van de rechtspraak),
was ten tijde van de Republiek als één van de Friese steden in de Staten van Fryslân vertegenwoordigd. Om tweeërlei reden had Harlingen met de Staten-Generaal in
Den Haag te maken: het Harlinger garnizoen werd door de Staten-Generaal betaald en in 1645 werd de Friese admiraliteit van Dokkum naar Harlingen overgeplaatst. De
inrichting van de vijf admiraliteitscolleges in de Republiek voor het beheer van 'zeezaken' werd vanaf 1597 door de Staten-Generaal geregeld. Harlingen werd een
echte oorlogshaven en dat bracht voor de stad bijkomende bedrijvigheid met zich mee. De stad bezit vanwege de door kooplieden en industriëlen in de 17e eeuw verworven
rijkdommen fraaie monumentale panden, met name langs de Noorderhaven en in de Voorstraat. Ook in de achttiende eeuw bleef de bouwactiviteit in de stad groot. Deze was
niet zozeer gericht op huizen van particulieren, maar het ging bijvoorbeeld om een nieuwe Latijnse school (1751), een stadhuis (1730 – 1733 en 1756) en een nieuwe
Grote Kerk (1772 – 1775). De oude tufstenen toren uit de twaalfde eeuw bleef gehandhaafd. In de voorgevel van het stadhuis staat de aartsengel Sint-Michaël,
beschermheilige van de stad.
De alteratie vond in Fryslân plaats in 1580. De Sint-Michaëlskerk werd omgedoopt tot Grote Kerk en ingericht voor de protestantse eredienst. Veel
Harlinger katholieken gingen in navolging van hun pastoor over tot het protestantisme. De kerk werd geleidelijk te klein en enkele decennia later
kwam er een tweede kerk, de Westerkerk. De overgebleven rooms-katholieken werden min of meer gedoogd, mits zij maar niet naar buiten traden. In de
18e eeuw nam het aantal rooms-katholieken weer toe door de immigratie van katholieke wevers uit Westfalen. In 1752 werd het toegestaan een nieuwe
rooms-katholieke kerk te bouwen. Deze kerk is in 1896 gesloopt. De toren van de nieuwe Sint-Michaëlskerk uit 1881 rees toen inmiddels hoog boven de
stad uit. Een derde religieuze groep werd binnen Harlingen gevormd door de doopsgezinden. In de zestiende eeuw kende Harlingen reeds een bloeiende
doperse geloofsgemeenschap, die nog in omvang toenam door de toestroom van Doperse vluchtelingen uit Brabant en Vlaanderen. Een aantal van 1700 zielen
aan het eind van de zestiende eeuw is niet onaannemelijk. De doopsgezinden vormden een welgestelde minderheid. In 1672 steeg hun aanzien, doordat de
doopsgezinden in dat rampjaar aanzienlijke bedragen voor de verdediging van de Republiek en de stad schonken. De Staten van Fryslân verleenden de
doopsgezinden daarop officieel vrijheid van godsdienstoefening 'in stilte'. Dat betekende dat een particulier huis als kerkruimte ingericht mocht worden
en dat samenkomsten niet door klokgelui aangekondigd mochten worden. Naast deze 'grote drie' geloofsrichtingen kende de stad ook lutheranen, veelal
immigranten uit Duitsland. In de 17e eeuw werd hun aantal zo groot, dat zij in 1669 een eigen kerk bouwden. Tot dan toe werden de Harlinger lutheranen
bij de Enkhuizer lutherse gemeente ingeschreven. Pas in 1681 verleenden de Staten van Fryslân de lutheranen dezelfde rechten als de doopsgezinden.
Tussen 1801 en 1952 waren er in Harlingen zelfs twee lutherse gemeenten: de evangelisch-lutherse gemeente en de hersteld evangelisch-lutherse gemeente.
Van 1870 – 1871 was de bekende Ferdinand Domela Nieuwenhuis evangelisch-luthers predikant in Harlingen. Zoals bekend brak Domela Nieuwenhuis later
(in 1879) met de kerk en ontwikkelden zijn ideeën zich in socialistische en anarchistische richting. De lutherse gemeente van Harlingen werd in 1972
opgeheven en bij die van Leeuwarden gevoegd. De voormalige evangelisch-lutherse zaalkerk uit 1879 werd in 1977 omgebouwd tot woon- en winkelpand. Het
oorspronkelijke interieur ging grotendeels verloren en de voorgevel werd aan de nieuwe functie aangepast. In de 17e eeuw waren er in Harlingen ook
bijeenkomsten van Quakers. In 1667 ontmoetten George Fox en William Penn elkaar in Harlingen. Verder vestigde er zich in de tweede helft van de 18e
eeuw een kleine Joodse gemeenschap, waarvan de leden waarschijnlijk uit Emden en Holland kwamen.
De negentiende en twintigste eeuw
Tijdens de opkomst van de Patriottenbeweging bleef Harlingen een Oranjegezinde stad. In 1787 was de aanhang voor de beweging maar klein in Harlingen.
Met de Bataafse omwenteling in 1795 kwamen de Patriotten er aan de leiding. Door een 'fluwelen revolutie' werden de zittende bestuurders vervangen en
kwam een einde aan de periode van de republiek. Na 1795 verloor de scheepvaart – mede door de oorlogssituatie tot 1813 – aan betekenis. Bovendien werd
de Friese Admiraliteit in 1798 naar het Departement van Marine in Amsterdam en Rotterdam overgeplaatst. Niettemin vormde de haven een groot deel van de
19e eeuw de belangrijkste bron van inkomsten. Vormen van vroegere bedrijvigheid raakten in verval. De landbouwcrisis in de tachtiger jaren van de
negentiende eeuw troffen het Harlinger achterland. In de export naar het buitenland kwam de klad. Grotere schepen konden Amsterdam, Rotterdam en Noord-Duitse
havens aandoen. De haven van Harlingen was te klein en te ondiep geworden. Traditionele industrieën , zoals tegel- en plateelfabrieken en zeilmakerijen,
trokken weg en verplaatsen de productie. Zijn zeventiende-eeuwse glorie raakte de stad definitief kwijt. In de negentiende eeuw veranderde het aanzien van
de stad grondig: de stadspoorten werden gesloopt, de bolwerken afgegraven en de meeste grachten gedempt. In de 20e eeuw verdwenen alle molens. De Afsluitdijk
(1932) veranderde de positie van Harlingen aanmerkelijk. Het intensieve verkeer bezorgde de stad echter meer last dan gemak. Na 1945 nam de omvang van de
visserij en het toerisme (Waddeneilanden) sterk toe. Er ontstonden nieuwe stadswijken en diverse grenswijzigingen vergrootten het gemeenteoppervlak. Harlingen
is nu een stad met ongeveer vijftienduizend inwoners. Het succes van de havenactiviteiten bleef wisselvallig.
Drie Harlinger orgels
Op kerkelijk gebied voltrokken zich de afgelopen honderdenzeventig jaar diverse veranderingen: de afgescheidenen (1835), de dolerenden (1887), de
christelijk-gereformeerden (1893) en 'de vrijgemaakten' (1944) betrokken een eigen kerkgebouw. In Harlingen bezoeken we allereerst de pas herbouwde
vrijgemaakt gereformeerde kerk, waar we tijdens de middagpauze ook de lunch zullen gebruiken. Donderdag 23 december 2004 was een zwarte dag in de
geschiedenis van de gereformeerde gemeente vrijgemaakt in Harlingen. Het kerkgebouw werd geheel door brand verwoest. Het Van Dam-orgel, dat toen ook
helemaal verloren ging, werd in 1864 voor de 'christelijke afgescheiden' gemeente in Leeuwarden gebouwd. In 1910 verhuisde het orgel naar de gereformeerde
Oosterkerk in de Friese hoofdstad. Toen deze kerk werd gesloten en afgebroken, vond het orgel een nieuwe bestemming in de gereformeerde kerk vrijgemaakt
van Harlingen. Na de noodlottige brand van december 2004 is de gemeente voortvarend begonnen aan plannen voor de wederopbouw van het kerkgebouw en voor de
aanschaf van een nieuw orgel. Over dat nieuwe orgel, dat in maart van dit jaar in gebruik is genomen, doet Jan Jongepier elders in deze krant uitvoerig
verslag. Na de lunchpauze bezoeken we de Sint-Michaëlskerk. De emancipatie van de rooms-katholieken kwam tot uiting in de bouw van een nieuwe, door Alfred
Tepe ontworpen, Sint-Michaëlskerk (1881). Het atelier van Friedrich Wilhelm Mengelberg vervaardigde een belangrijk deel van de inventaris en de orgelbouwers
Adema uit Amsterdam voorzagen de kerk van een orgel. Elders in deze Friese Orgelkrant 2007 vindt u een artikel van Victor Timmer over de geschiedenis van de
orgels in de rooms-katholieke kerk te Harlingen. De hervormden kerkten na de sloop van de Westerkerk (1897) weer in de Grote Kerk. In deze kerk met een
prachtig Hinsz-orgel uit 1776 zullen we de voorjaarsexcursie besluiten. In het programmaboekje zal informatie over de geschiedenis van dit orgel worden
verstrekt. Bovendien zal Jan Jongepier, samen met Broer de Witte op 14 april excursieleider, tijdens de excursie nog mondeling het één en ander over het
prachtig door Hempel gedecoreerde orgel vertellen. Voor het overige verwijzen we naar het jubileumboek van de Stichting Organum Frisicum 'Vijf eeuwen Friese
Orgelbouw'. Door een reorganisatie bij de uitgever van het boek, de Friese Pers Boekerij, is dit boek in de loop van dit jaar voor een aantrekkelijke prijs
bij de Stichting Organum Frisicum verkrijgbaar. De doopsgezinden namen in 1858 een nieuwe kerk in gebruik, die inmiddels ook al weer is afgebroken. Acties om
kerk en orgel voor Fryslân te behouden, hadden geen resultaat. Het prachtige Van Gruisen-Van Oeckelen-orgel (1811/1857) uit deze kerk werd in 1996 door Bakker
& Timmenga gedemonteerd en opgeslagen. In 1999 werd het instrument verkocht aan de gereformeerde gemeente van Vollenhove. De doopsgezinde gemeente van Harlingen
plaatste in de nieuwgebouwde kerkzaal een uit Denemarken afkomstig orgel.
Het donateursconcert
Het donateursconcert vindt dit jaar plaats in Wirdum en wel op vrijdag 22 juni. Het zal worden verzorgd door Broer de Witte. Sinds 2005 is Broer de Witte
naast Theo Jellema en Jan Jongepier artistiek adviseur van de Stichting Organum Frisicum. Het concert dat - zoals gebruikelijk - gratis toegankelijk is voor
donateurs van Organum Frisicum, begint om 20.30 uur. Vanaf 19.45 kunt u in de Sint-Martinuskerk van Wirdum terecht, waar u door bestuursleden van de Stichting
Organum Frisicum zult worden ontvangen en waar u tevens een kopje koffie zal worden aangeboden. Vervolgens zal Broer de Witte een korte inleiding over de
historie van het Wirdumer orgel en over het concertprogramma houden. Na afloop van het concert kan het orgel worden bezichtigd en is er vlakbij de kerk een
nazit, zodat op een gezellige wijze over het orgel en het concert kan worden nagepraat.
Nationale orgeldag
Voor de derde maal sinds haar oprichting organiseert de Vereniging Nationaal Platform voor Orgelkunst en –cultuur (VNPO) een officiële, landelijke opening
van de nationale orgeldag. De eerste keer, in 2005, gebeurde dat in Utrecht en in 2006 in Den Bosch. Dit jaar zal deze feestelijke opening om 11.00 uur in
de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden plaatsvinden. De keus is mede op Leeuwarden gevallen vanwege het twaalf en een half jarig bestaan van de Stichting
Organum Frisicum, die bij de opzet en uitvoering van deze feestelijke opening betrokken is. De Commissaris van de Koningin in de provincie Fryslân, de heer
Nijpels, zal de opening verrichten. Om de nationale orgeldag 2007 extra luister bij te zetten, geven Theo Jellema, de vaste organist van de Grote Kerk, en
zijn collega-organist Erwin Wiersinga uit Roden, een bijzonder concert. Zij zullen le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky op het Müller-orgel uitvoeren.
Voorafgaand aan dit concert zal Jan Jongepier direct na de opening door de heer Nijpels een referaat over de geschiedenis van de orgelbouw in Fryslân houden.
Met de uitvoering van 'de Sacre' wordt de opening van de nationale orgeldag om ongeveer 12.00 uur afgesloten. Daarna zijn er de hele middag in en rond de Grote
of Jacobijnerkerk diverse activiteiten. Natuurlijk kan op zaterdag 8 september 'gewoon' weer een groot aantal orgels in de provincie Fryslân worden bespeeld.
Vanwege de activiteiten in en rondom de Grote of Jacobijnerkerk kunnen deze kerk en de Waalse Kerk van Leeuwarden dit jaar niet meedoen aan de nationale orgeldag.
Volgend jaar zal dat wél weer het geval zijn. Nieuw deelnemende kerken zijn dit jaar de Agneskerk te Goutum (Van Dam-orgel, 1864), de gereformeerde kerk vrijgemaakt
in Harlingen (Strumphler 1780 / Reil 1953 / Van Vulpen 2006), de Opstandingskerk te Leeuwarden (Bakker & Timmenga-orgel, 1965) en de Laurentiuskerk in Raerd
(Hillebrand-orgel, 1816).
Net als voorgaande jaren wordt de nationale orgeldag in Fryslân afgesloten met een orgelconcert in de Grote- of Jacobijnerkerk van Leeuwarden. Theo Jellema zal
dit concert, dat om 16.00 uur begint, verzorgen.
De najaarsexcursie
Hoewel de Stichting Organum Frisicum al in het voorjaar van 2007 jubileert, is er niettemin voor gekozen een speciale orgelexcursie met de najaarsexcursie te
laten samenvallen. Deze excursie brengt ons naar West-Friesland. Voor die streek is gekozen vanwege de goede bereikbaarheid zowel voor de deelnemers uit het
Noorden des lands als voor de vele trouwe excursiedeelnemers uit andere delen van ons land. West-Friesland heeft zich tot 1289 onafhankelijk van Holland
ontwikkeld. Het lukte Willem II, graaf van Holland, niet de West-Friezen te onderwerpen. Hij werd in 1256 bij Hoogwoud gedood en heimelijk begraven. Diens
zoon, Floris V lukte het in 1289 West-Friesland aan Holland toe te voegen, nadat een eerdere poging in 1272 nog was mislukt. West-Friesland was verdeeld in
vier ambachten: Drechterland (Oost), Hoogwouderambacht (Noordoost), Geestmerambacht (West) en de Schager- en Noorderkoggen (Noordwest). Deze ambachten waren
weer verdeeld in koggen. Een kogge was een bestuurseenheid voor een waterschapsgebied. Op hun beurt bestonden de koggen uit vier of vijf dorpsgebieden, de
bannen. Van de drie grote steden in West-Friesland is Medemblik de oudste. Floris V bouwde er een bewaard gebleven dwangburcht en verleende Medemblik in 1289
stadsrechten. Enkhuizen en Hoorn, die in 1355 en 1357 stadsrechten kregen, overvleugelden Medemblik aan het eind van de zestiende en in de loop van de zeventiende
eeuw. Hun beider bloei was mede te danken aan hun eigen kamers in de Verenigde Oost-Indische Compagnie, opgericht in 1602. Beide steden hadden ook een aanzienlijke
vissersvloot. Graaf Willem IV verleende in 1414 een fors aantal West-Friese bannen stadsrechten. Waarschijnlijk wilde hij die plaatsen daarmee bij het Hoekse kamp
zien in te lijven. Zo kreeg de stede Westwoude (Westwoud met Westerblokker, Oosterblokker en Binnenwijzend) stadsrechten. De bebouwingsstructuur van het huidige
Westwoud doet echter in niets aan een stad denken. We beginnen de orgelexcursie van 29 september in Valkkoog, waar een Adema-orgel uit 1871 aanwezig is. Vervolgens
is Zuid-Scharwoude met een Van Dam-orgel uit 1881 aan de beurt. Na de lunch wordt de excursie vervolgd in Westwoud. In de in 1875 gebouwde protestantse kerk aldaar
staat een Van Dam-orgel, eveneens uit 1881. In de toren hangt een door Claude Fremy gegoten klok uit 1684. In de rooms-katholieke kerk bevindt zich het grootste orgel
(1864) dat Lodewijk Sjoerds (Lolke) Ypma heeft vervaardigd. Deze Sint-Martinuskkerk werd in 1849 – 1851 gebouwd naar een ontwerp van architect Theo Molkenboer.
De totstandkoming van het Adema-orgel in Valkkoog
Het jaar 1871 is van grote betekenis geweest voor Gebroeders Adema, sinds 1855 orgelmakers te Leeuwarden en (sinds 1868 ook) te Amsterdam. In dat jaar voltooiden
ze de bouw van een groot orgel in de rooms-katholieke Mozes en Aäronkerk te Amsterdam. De bouw van dit instrument betekende een stijlbreuk in hun oeuvre. Het was
het eerste orgel in Frans-symfonische stijl in ons land en het kwam tot stand in zeer intensief overleg met de Franse orgeldeskundige Charles-Marie Philbert,
toentertijd als diplomaat werkzaam in de hoofdstad. Deze was zeer goed op de hoogte van de bouwprincipes van de beroemde Parijse orgelmaker Aristide Cavaillé-Coll,
van wie hij zich zelfs 'ami de la maison' mocht noemen. De door Philbert geïntroduceerde nouveautés (zoals het gebruik van aparte windlades voor grond- en
combinatiestemmen, - onderling soms verschillend in winddruk, overblazende registers, strijkende registers, toepassing van de zogenaamde Barkermachine en de
expressiekast) werden sindsdien door de Adema's in meer of mindere mate in hun werk toegepast, in grote zowel als in kleinere instrumenten. Het orgel te Valkkoog
is daarvan ná het 'Mozesorgel' het eerste en tevens gaaf bewaard gebleven getuigenis. Alleen al dát bestempelt het tot een zeer bijzonder instrument. De opdracht
aan Gebr. Adema tot de bouw van een orgel voor de kerk te Valkkoog had in principe echter niets met de voorgaande ontwikkelingen van doen: allereerst omdat het
'Mozesorgel' nog in aanbouw was toen de kerkvoogden het contract met de orgelmakers tekenden (als men überhaupt al op de hoogte was van de bouw van dat instrument).
Daarnaast waren de Adema's als orgelmakers in het Westen des lands nog niet of nauwelijks bekend. Het contact kwam tot stand via familie van één der kerkvoogden,
zoals we hieronder zullen zien. Medio 1870 beraadden de kerkvoogden zich over de mogelijkheid een orgel aan te schaffen. Men wilde daarin niet achterblijven bij de
zustergemeente in het naburige Sint Maarten, waar in april van dat jaar een orgel van Knipscheer in gebruik was genomen.
Politieke omstandigheden (de Frans-Duitse oorlog) en de noodzaak eerst het kerkinterieur op te knappen deden de heren in Valkkoog echter voorlopig van de aanschaf
afzien. In februari 1871 zag alles er echter een stuk zonniger uit en men besloot voorlopig 2000 gulden uit te trekken voor de aanschaf van een degelijk orgel. Men
verzocht de waarnemend secretaris, de heer N. van Albada "zich met een deskundige, diens broeder, welke meermalen de kooping [,] keuring en bespeeling van orgels
was opgedragen geweest, in correspondentie te stellen, ten einde naar een solied orgelmaker te laten informeren". Na aanwijzing van een geschikte kandidaat wilde
men ook één van diens orgels gaan beluisteren. Aldus kwam het contact tot stand met de heer L.B. van Albada, schoolmeester te Joure en organist van de hervormde kerk
aldaar. Diens gunstige ervaringen als examinator en inspeler van de Adema-orgels te Joure (gereformeerde kerk, 1859) en Oudehaske (hervormde kerk, 1869), zullen tot
het contact met Gebr. Adema hebben geleid. Het is niet bekend wélk Adema-orgel men als proef op de som heeft heeft bekeken en beluisterd. Het kennelijk reeds
geaccordeerde contract werd eind april 1871 ter vergadering voorgelezen en de orgelmakers konden aan de slag. Al heeft de bouw van het 'Mozesorgel' als zodanig
vermoedelijk weinig of niets te maken gehad met het verkrijgen van de opdracht voor het orgel in Valkkoog, men moet het er wel met de adviseur over hebben gehad
(en hem kennelijk ook hebben overtuigd van de voordelen van de toe te passen nieuwigheden), want de op dat moment ongewone opzet van het nieuwe orgel voor Valkkoog
was er wel een directe afgeleide van: het was het eerste instrument na 'het Mozes-orgel', waarbij het pijpwerk, hoewel het slechts een éénklaviers instrument was,
toch over meerdere windladen werd verdeeld, elk voorzien van een afsluiter, te bedienen met een trede boven het pedaalklavier. Op die manier kon het ontbreken van
een tweede klavier met eigen registers worden gecompenseerd en hield het de kosten ook binnen de perken. Ook bevatte het instrument twee strijkende registers en een
overblazende fluit. De ingebruikneming vond plaats op 31 december 1871, waarbij L.B. van Albada het orgel inspeelde. Het instrument heeft fl. 2500,- gekost. Uit de
afrekening blijkt verder dat ten behoeve van de inwendige mens bij de inwijding voor fl. 9,45 aan 'vlees' was gekocht en voor fl. 11.50 brood. Verder kreeg organist
van Albada voor zijn inspanningen fl. 43,- (reiskosten inbegrepen). Die waren kennelijk niet voor niets geweest want de kerkvoogden lieten in de Kerkelijke Courant
van 20 januari 1872 een aanbeveling ten gunste van de orgelmakers plaatsen. N. van Albada ontving in dat jaar voor zijn werkzaamheden als koster, secretaris en organist
een salaris van fl. 100,-. De "orgeldraaijer" kreeg fl. 16,- en de toch nog steeds aanwezige voorzanger fl. 50,-.
Verdere lotgevallen
In 1876 leverden de orgelmakers voor fl. 90,- de drie aanwezige beelden op de torens. Tot en met 1903 werd het onderhoud vanuit Amsterdam verzorgd door P.J. Adema
of werknemers uit zijn bedrijf, daarna gevolgd door de firma Ypma & Co. uit Alkmaar. In 1923 werd door hen het orgel grondig schoongemaakt en hersteld voor fl. 620,-.
In 1986 werd in het kader van de kerkrestauratie door Jos Vermeulen Orgelbouw het frontpijpwerk gepolijst. In 1993 werd door de firma Flentrop een algehele restauratie
uitgevoerd, waarbij overigens geen wijzigingen plaatsvonden.
Korte beschrijving van het instrument
Het éénklaviers orgel heeft 12 stemmen en een aangehangen pedaal. Het heeft drie afsluiters voor de volgende registergroepen (volgorde registers vanaf het front):
P8, V8, H8,V4 (I); Fh4, O2, C, T8 (II) en M, O3, O4, B16 (III). De originele windvoorziening is nog aanwezig en bestaat uit een grote magazijnbalg in de onderkas,
gevoed door drie schepbalgen, welke worden aangedreven via een systeem van trekstangen met een krukas en een zwengel. Een dergelijke bediening is ook nog bewaard
gebleven in Oudehaske. Het pijpwerk staat opgesteld op twee windlades: een windlade met dubbele kleppenkast voor de registers werkend op de combinatietrede I, resp.
II en een tweede lade voor de registers werkend op combinatietrede III. Tussen beide windlades ligt een stemgang. De Trompet (behorend bij registergroep II) staat
dus niet, zoals bij een 'normaal' eenklaviers orgel, tegen de achterwand, maar midden in de kas. De ventielkasten van de registergroepen II en III zijn elk aan beide
einden voorzien van kleine compresseurs (schokbalgen) om ongewenste veranderingen in winddruk bij gebruik van de afsluiters op te vangen. Door de gekozen opzet met
drie ventielkasten heeft van het walsbord elke wals vier walsarmpjes (waarvan drie voor de respectieve registergroepen). Als steminrichting zijn bij het open metalen
pijpwerk veelal expressions aanwezig, behalve bij de kleinere pijpen.
Twee Van Damorgels in West-Friesland
Het orgel in de Kooger Kerk te Zuid-Scharwoude werd in 1881 gemaakt door L. van Dam & Zonen. Het fronttype komt overeen met dat van Mantgum (1879), dat als prototype
van dit ontwerp geldt. In de kas was ruimte gereserveerd voor het later aanbrengen van een vrij pedaal. Op twee verschillende momenten werden kleine veranderingen
uitgevoerd door H.W. Flentrop. In 1912 werd de Salicet 4' van het bovenwerk vervangen door een Voix Celeste 8'. In 1932 werd de bas van de Bourdon 16' op een pneumatische
lade geplaatst en tevens voorzien van een transmissie voor het pedaal. Bovendien werden de tonen C-G van de Holpijp 8' van het hoofdwerk gecombineerd met c-g van de Bourdon
16'. Tremulant, afsluiting hoofdwerk en windloser kwamen te vervallen. In 1984 werd een restauratie uitgevoerd door Orgelmakerij Bakker & Timmenga te Leeuwarden. Deze
restauratie viel samen met de restauratie van het kerkgebouw. Het orgel werd daarbij verplaatst van de koorzijde naar de torenzijde van het gebouw, waarbij een geheel
nieuwe orgelgalerij gebouwd werd. De oorspronkelijke toestand van het orgel werd hersteld. Op het hoofdwerk werd een Mixtuur toegevoegd op een gereserveerde sleep die
daarvoor bedoeld was, op het bovenwerk werd een Quintfluit 3' geplaatst op een hiervoor gereserveerde sleep. Een vrij pedaal met vier registers werd aangebracht,
uitgevoerd in de stijl van de oorspronkelijke bouwers. Niet onvermeld mag blijven dat de organist van de kerk, Jan A. Jong, zich zeer beijverd heeft om deze restauratie
tot stand te brengen. Hij heeft destijds een groot deel van het pijpwerk van het helaas afgebroken Van Dam-orgel in de Oosterkerk te Leiden (1901) opgekocht. Bij de
restauratie en uitbreiding te Zuid-Scharwoude is een deel hiervan gebruikt, te weten de vier pedaalregisters en de Salicet 4' van het bovenwerk. Later hebben enkele
andere restauraties en reconstructies van Van Dam-orgels kunnen profiteren van deze aankoop, o.a. Assen, Daarle, Eelde en Franeker. Het Van Dam-orgel in de Kooger Kerk
heeft thans 23 stemmen, verdeeld over een hoofdwerk, bovenwerk en (vrij) pedaal. Er bevindt zich een tremulant op het bovenwerk. Verder heeft het orgel een manuaalkoppel,
een pedaalkoppel, twee afsluitingen en een windloser. De winddruk is 60 mm.
Het orgel in de Hervormde kerk te Westwoud werd door L. van Dam & Zonen in 1883 gemaakt. Een tweeklaviers orgel met aangehangen pedaal, gebouwd achter een front, dat in
1881 voor het eerst in het werk van Van Dam verschijnt. Hoewel dit front in hoofdzaak bij eenklaviers orgels werd toegepast, komen ook uitzonderingen met een tweede
klavier voor, zowel met een dwarswerk (Sijbekarspel, ook 1883) als een echt bovenwerk, wat in Westwoud het geval is. Het snijwerk is uitzonderlijk rijk van uitvoering.
Het orgel is een zeldzaam voorbeeld van een instrument dat sedert de bouw nooit gerestaureerd of uit elkaar geweest is. Het heeft 17 stemmen, verdeeld over een hoofd-
en bovenwerk. Het pedaal is aangehangen. Het heeft een tremulant op het bovenwerk en kent een manuaalkoppel, twee afsluitingen en een windloser. De winddruk is 62 mm.
De orgelmakers Ypma
In de negentiende eeuw zijn er drie orgelbouwers Ypma actief geweest. De familie Ypma was rooms-katholiek en afkomstig uit Bolsward. Uit het huwelijk van timmerman
Sjoerd Feddes en Jeltje Dirks Kortrijk werden drie zoons geboren: Dirk Sjoerds in 1813, Eeltje Sjoerds in 1819 en Lodewijk Sjoerds (Lolke) in 1823. Eeltje Ypma is altijd
in Bolsward gebleven en heeft voornamelijk onderhoudswerk verricht. Dirk Sjoerds is vanaf 1835/36 als orgelmaker bekend. Het vak moet hij bij de rooms-katholieke
orgelbouwer Willem van Gruisen geleerd hebben. In 1842 voltooit hij het orgel in de hervormde kerk van Lemmer, bij welke gelegenheid wordt vermeld dat hij van plan is zich
in Alkmaar te vestigen. Waarschijnlijk zette zijn broer Eeltje het bedrijf in Bolsward voort. Eeltje sterft in 1893 'zonder beroep'. Lang kan Dirk niet in Alkmaar gewerkt
hebben, want op 6 december 1854 – nog maar 41 jaar oud - overlijdt hij, in Bolsward. Enkele jaren later blijkt Lodewijk, zoals Lodewijk Sjoerds of op zijn Fries Lolke dan
kennelijk genoemd wordt, de orgelmakerij in Alkmaar te leiden. Waar hij het vak leerde is onbekend, maar feit is dat hij zich ontpopte als bekwaam orgelbouwer, zowel in
technisch als artistiek opzicht.
Lodewijk Ypma overleed in 1887. Samen met het personeel zette zijn weduwe, Anna Elisabeth Lucas, de onderneming voort onder de naam L. Ypma & Co. De leiding
was aanvankelijk in handen van meesterknecht Johannes Hilboesen, vanaf eind 1896 in handen van Jacques Vermeulen. Ook Bernard Pels die later een eigen orgelmakerij
zou beginnen, heeft in deze periode bij Ypma & Co gewerkt. In 1900 besloot de weduwe Jacques' neef, Jos Vermeulen, als vennoot in de onderneming op te nemen. Na haar
dood, in 1902, werd de orgelmakerij aan Jos Vermeulen verkocht, die tot aan de opheffing van zijn firma – in 1987 - gewerkt heeft in de bedrijfspanden van Ypma.
Flentrop Orgelbouw BV in Zaandam nam de Alkmaarse orgelmakerij over en kreeg daardoor veel Ypma-orgels in onderhoud, zo ook dat in Westwoud. De laatste restauratie
van het orgel vond in 2002/2003 echter plaats door Elbertse Orgelmakers BV te Soest.
Het orgel in Westwoud werd op 7 april 1864 in gebruik genomen. De oplevering had eind 1863 plaats zullen vinden, vandaar dat zowel 1863 als 1864 als bouwjaar van het
orgel voorkomt. Het orgel kostte Ypma fl. 7213,92 hetgeen een tekort van fl. 213,92 impliceerde. Dat was destijds ongeveer het gemiddeld loon van een manjaar. Gelukkig
kreeg Lodewijk Ypma daarna nog vijf jaar achtereen fl. 100,- voor het orgel uitbetaald. Dit gebeurde volgens contract omdat er geen verborgen gebreken waren. De in 1851
voltooide rooms-katholieke kerk van Westwoud werd ontworpen door de bekende architect Molkenboer. Het kleine Gerstenhauer-orgel verhuisde van de oude schuilkerk mee naar
het nieuwe kerkgebouw. Dit kleine orgel werd met de komst in 1863/64 van het Ypma-orgel verkocht aan de parochie van De Lijnden (Haarlemmermeer), waar het tot 1909 dienst
heeft gedaan. Behoorlijk gewijzigd staat het nu in de Oude Kerk van Scheveningen. De parochie in De Lijnden kocht in 1910 een Ypma-Vermeulen-orgel, dat begin 2005 werd
aangetrokken door de gereformeerde kerk vrijgemaakt te Franeker.